Picos de Europa

Algemene info bij het reisverslag.
Spanje: (Picos de Europa)
Streek: Asturias, Cantabria, Castillia y Leon
Traject: ronde door en rond de Picos de Europa
Periode: 11/06/07 t/m 23/06/07
Reisgezelschap: solo (Initiator Bergwandelen)
Transport: heen- en terugreis: Eurolines Brussel – Oviedo (52€ mits besteld via internet minimum 75 dagen voor vertrek.)
Wie liever vliegt, kan met Ryanair tot Valadolid.
Van Oviedo tot Covadonga per locale bus.
Logies: van berghut tot hostal (max 30 € ppn) verdere info, zie verslag.
Reizen kost: ca. 20 tot 50 € per dag (voor overnachting, ontbijt en avondmaal)
Betalingswijze: –    cash
–    Bancontact (opgelet: slechts beschikbaar in Oviedo en Fuente Dei)
–    Visa (opgelet, wordt moeilijk aanvaard, gezien de kleine bedragen.
–    Cash afhalen met Visa duur.
Reisliteratuur: –    Wandelgids:  Bergtochten in de Cordillera Cantabrica & de Picos de Europa (Jan Knaapen, uitgeverij: Dominicus, reeks Dominicus Adventure) met gratis GPS-coördinaten via het internet http://www.dominicus.info.
–    Lonely Planet Spain
Stafkaart: Parque National Picos de Europa (Editorial Alpina 1:40.000, 2 kaarten in een mapje)
Internet:  http://www.eurolines.be
http://www.picoseuropa.net
http://www.ryanair.com
http://www.dominicus.info

Picos de Europa:
Inleiding:
Dit is geen gebied voor beginners. De redenen hiervoor zijn de volgende:
–    zeer zwakke markering van paden op het terrein.
–    kans op mist.
–    paden die vlak bij weidegebieden lopen zijn vaak modderig.
–    paden vooral in keienvelden gemengd met restsneeuw moeilijk te volgen, door de zwakke markeringen.
–    eventuele beveiliging van moeilijke passages nog onder sneeuw in de vroegzomer of in het geval van een te koud voorjaar (lente 2007)
–    niet-officiële paden die afdalen in de Rio Cares vallei, zijn zeer steil.
–    zeer primitieve berghutten, zonder verwarming.
–    summiere beschrijving, die op het terrein onvoldoende blijkt.
–    dichtheid van bij het boek opgegeven coördinaten onvoldoende. (Nederlandse reisorganisatie NSP, die in dit gebied zeer actief is, geeft één coördinaat op om de 300m.)
Bijkomend nadeel: het is hier duur in verhouding tot de geboden infrastructuur. In Oostenrijk betaal je ca. 35 € in halfpension.
Waarom moet je hier dan wel komen? Het is eens wat anders dan de Alpen.

Uitrusting en voeding:
Fysieke voorbereiding:
Hoe beter je fysieke conditie bij het vertrek, hoe groter de kans is, dat je van je reis zal kunnen genieten. Als je vanaf Covadonga (200m) vertrekt, dien je de eerste dag 900m te stijgen om de Refugio Cabana de Pastores te bereiken. In juli en augustus kan je dit traject per bus doen, maar ik heb het dus te voet mogen doen. De volgende dag stijg je tot 1630m en daal je af tot 500m. En vooral die afdaling zal zich laten voelen. In het dal van de Rio Cares ben ik echt eventjes moeten gaan zitten m te bekomen van die afdaling, maar later daarover meer.
Misschien heeft het bij mij met het toenemen der jaren te maken, maar ik geraak steeds meer overtuigd van de noodzaak van  een goede fysieke voorbereiding. Wandelen in de Ardennen is goed, maar het gevoel van een klim of afdaling van 1000m non-stop kan je er toch niet evenaren. Een bij de Klim- & Bergsportfederatie gewaardeerde kuitenbijter is het GR traject Bouillon-Vresse, waar je qua stijgings- en dalingsmeters aardig in de buurt komt.

Kledij op het lichaam:
– schoenen: bergschoenen van het type A/B tot B/C bij voorkeur van een gekend merk en liefst in combinatie met een onderlaag in Gore-tex.
– stel sokken: bij voorkeur 2 van goede kwaliteit (lusjesweefsel langs de binnenzijde en in materialen gaande van wol tot Coolmax)
– trekkersbroek, eventueel met afritsbare pijpen of traditionele kniebroek, bij voorkeur in een waterafstotende en/of sneldrogende kwaliteit.
– synthetisch ondergoed: slip (mijn voorkeur gaat naar de microvezel van Nur Die) en T-shirt met lange of kort mouwen ( te koop: soms in Aldi, altijd in Decathlon of de klassieke buitensportzaken)
– lichte fleece
– zonnehoedje

Kledij in de rugzak:
– zware fleece, liefst met windstopper (ook reeds te koop in Aldi)
– Gore-tex jas met kap of hoed, in combinatie met een regenhoed. (Gore-tex geniet nog  steeds de voorkeur, maar wie afgeschrikt wordt door de hoge aanschafprijs kan voor redelijke alternatieven terecht bij Decathlon)
– een zonnebril met hoge filteringsgraad, zonnecrème (beschermingsfactor 20 of hoger) en eventueel lippenzalf met beschermingsfactor)
– reserve synthetisch T-shirt en slip
– stel reserve sokken
– lichte droge reserve kledij voor in de hut of hotel (opgelet: het is koud in de hutten in de Picos) en  eventuele hutten pantoffels (niet te vinden  in de hutten in de Picos, een paar lichte sportschoenen zijn dus aan te raden.)

Andere uitrusting:
– telescopische wandelstokken (ontlasten de knieën bij het dalen, vooral voor afdalingen in de Rio Cares geen overbodige luxe, tenzij je Superman bent) (koop bij voorkeur stokken van de merken Leki of Komperdell. Besteed aandacht aan het materiaal van de handgrepen en mijd vooral stokken met een gesp in de polslus. Bij langdurig gebruik gaat die gesp irriteren.)
– rugzak van ca. 60 liter (Quecha Symbium 60 van Decathlon) Ondanks dat er bij die rugzak een regenhoes zit, steek ik toch nog altijd alles in plasticzakken gesloten met metaalclip. Kleine zaken en dagrantsoenen gaan in diepvrieszakken van Aldi.
– een lichte slaapzak indien je enkel de hut aan de Picu Urriellu gaat doen, een zware indien je ook nog andere hutten wenst te bezoeken, (Refugio Cabana Veronica, Refugio Diego Mella, enz…)
– 1 handdoek van 40 x 80 cm, bij voorkeur in microvezel (droogt sneller en geeft minder geur af, wanneer hij niet goed gedroogd kan worden. Reeds verkrijgbaar bij Aldi)
– 1 washandje met een klein busje douchezeep en shampoo, een reistandenborstel met kleine tube tandpasta (een bijna lege tube sparen voor op reis kan ook), een stick scheerzeep en wegwerpmesjes of reisscheerapparaat op batterijen.
– een paar pakjes papieren zakdoekjes, doet dubbel dienst als toiletpapier
– drinkbussen of een drinkzak met slang met een gezamelijke inhoud van 2 à 3 liter (reken zeker in de zomer niet te veel op water onderweg)
– voor wie het extra gewicht wil dragen: inox thermos met een aantal zakjes thee, soep of oploskoffie. Geen brander, warm water kan je in de hut krijgen tegen betaling
– zakmes
– micro zak- of hoofdlamp om het toilet te vinden in het donker
– persoonlijke apotheek: rekverband, steriele doekjes, ontsmettingsmiddel, wondpleisters, schaartje, sporttape, Compeed, Ibuprofen, Dafalgan, Rinomar (tegen neusloop) Imodium (diaree)
– reserve plasticzakken
– naald en draad
– tube handwaszeep (1 voor 2 personen)
– GSM (dekking niet overal verzekerd)
– oriëntatiemiddelen: stafkaarten (zie hoger), kompas en/of GPS.

Technische uitrusting:
– Klettersteigset: weinig zinvol, gezien er in de Picos bij mijn weten maar één kettingzekering te vinden is en als je pech hebt zit die nog onder de sneeuw.
– stijgijzers en pikkel: voor wie vroeg in de zomer onder alle omstandigheden zijn vooropgesteld traject wil afleggen. Flexibel zijn en je plannen durven aanpassen is veiliger en maakt je rugzak lichter.

Voeding:
Volgens de voedingsleer zou je voeding een verhouding van 15% proteïnen, 30% vet en 55% koolhydraten moeten bevatten Voor sommige sporten gaat men zelfs tot 70% koolhydraten.
Hou echter rekening met het feit dat vet meer calorieën bevat voor eenzelfde gewicht voeding.
Mijn menu is zodanig samengesteld dat ik in principe alles wat ik onderweg moet eten, los uit de hand kan eten. Dit is handig bij slechte weersomstandigheden en spaart bovendien gewicht uit aan verpakkingsmaterialen, besteken, enz…
Mijn dagrantsoen voor onderweg stop ik per dag in een afzonderlijke plastic zak. Als het dan regent, steek ik die zak op de plaats waar ik anders mijn regenjas steek, zodat de rugzak niet telkens open moet, wanneer je je energiepeil wat wilt aanvullen.

Weet dat Spaanse ontbijten geen Engelse of Amerikaanse ontbijten zijn.

Ikzelf weeg ca. 78 kg. Wie zwaarder is, zl in verhouding iets meer nodig hebben.
Een menu moet voldoende gevarieerd zijn en moet uiteraard voor jou aanvaardbaar zijn.
Weet echter dat ik thuis ook wel iets anders eet dan dit.
Veel sportvoeding vermeldt reeds de samenstelling. Indien je deze niet terugvindt op de verpakking, zal je gebruik moeten maken van een algemene lijst met de samenstelling van voedingsmiddelen. Die vind je terug in een boek over dieetleer in de bibliotheek of op het internet.  Als je weet dat 1gr proteïnen of eiwitten overeenkomt met 17 kJ of 4kcal, 1 gr vet met 38 kJ of 9 kcal en 1 gr koolhydraten met 17 kJ of 4 kcal, dan kan je zelf aan de slag.

Naam:                          Gr.:      Proteïnen:    Koolhydraten:    Vet:          KJ:
Muesli reep Aldi          75         5,2%                 52,20%         9,00%    1313,25
Energie Bar                  80         3,9%                 56,72%         7,52%     1308,08
Chocolade noten         100        8,2%                 34,77%        11,31%    1145,54
Snickers (Foré)            60        5,7%                  34,80%       15,00%    1243,20
Totaal:                          315       7,39%               56,75%        13,60%    5010,07

De chocolade is meestal van Ritter Sport (Makro). Alternatieven vind je ook bij Lidl of Adi.
Energy Bars vind je soms bij Aldi, maar in elk geval vind je die van Isostar bij Makro of sportzaken. Foré (namaak Snickers) vind je bij Aldi. Koop harde Muesli repen en geen zachte, want daar blijft niet veel van over na een verblijf in je rugzak. O f je moet ze in een doos steken en dat weegt weer extra.

Dag 1: Oviedo – Canga de Onis – Covadonga (200m) – Refugio Cabane de Pastores (1100m)

Om 14.00 uur vertrekt de bus van Eurolines aan het Noordstation te Brussel. De volgende dag kom ja aan in Oviedeo omstreeks 10.00 uur. Om 12.15 uur vertrekt je lokale bus vanaf hetzelfde busstation richting Canga de Onis en vervolgens rijdt hij dan door richting Covadonga. Je moet niet uitstappen in het Centrum van Covadonga, maar aan een kruispunt aan de voet (T1-00), waarop de kathedraal gelegen is. Er zijn een aantal souvenirwinkels aan het kruispunt. De rit kostte in 2007 ca. 6.00 €.

Om 14.00 uur sta je dan aan het kruispunt en kan je de klim aanvatten richting Lagos de Covadonga, zoals het op de wegwijzer staat aangeduid. Op de stafkaart is er sprake van Lago (meer) de Enol en Lago de la Ercina. Ik heb ervoor gekozen om het volledige traject langs de weg te blijven lopen. Op een hoogte van ca. 800m vind je een jeepweg naar links, die je naar het Informatiecentrum van het Nationaal Park brengt, maar dan moet je boven een stuk teruglopen om aan de Refugio Cabane (berghut) de Pastores (herders) te geraken. Wie wil kamperen is wel korter af, maar de klim is beduidend steiler, dan langs de weg.

Op het hoogste punt neem je dan de weg naar rechts (wegwijzer) tot je aan de hut komt. Het is een relatief kleine hut, war het er aan toegaat als op een boerderij. Beneden is er een bar war je wat kunt drinken en waar ’s avonds ook het avondmaal zal opgediend worden. Je eet wat de pot schaft. Er is ’s avonds ook mogelijkheid om een douche te nemen wat wel deugd doet na 2 dagen onderweg. Slapen doe je in een kleine slaapzaal waar de stapelbedden erg dicht tegen elkaar gepakt staan. Je kan je slapen met een vijftiental personen. In mijn geval was er slechts één persoon, die eerder een landarbeider dan een bergtrekker was.

Dag 2: Refugio de Cabana de Pastores (1100m) – Refugio Marqués de Vilaviciosa (1630m) – Rio Cares Puente Bolin (500m) – Cain :
Je begint de dag met terug te lopen in de richting van waaruit je gisteren gekomen bent. In de nabijheid van het meer kan je af een klein relatief slecht padje nemen langs het meer, of de jeepweg volgen rond het meer. Aan de overzijde van het meer zie je een aangelegd pad lopen in de flank van de wand achter het meer. Dit pad volg je tot op de kam. Vervolgens daal je af tot aan een drankgelegenheid op de oevers van het Lago (meer) de la Ercina (T1-01). Je volgt de oever van het meer in wijzerzin, tot de doorgang tussen de rotswand en het meer smal wordt en je de klim aanvat naar de Refugio (Refuge-hut) Marques de Villaviciosa. In mijn geval gebeurde de klim in de dichte mist. “Gelukkig” is het pad een modderspoor dat ook gebruikt wordt door koeien, waardoor het volgen van het pad niet erg moeilijk was. In Las Bobias (T1-02) was ik omwille van de mist en het feit dat het pad door het meer verspreid lopen van de koeien niet ingesleten was, eventjes de weg kwijt. Maar door de weg te vragen aan de herder vond ik het terug.

Voorbij het gehucht gaat het pad weer verder omhoog. Je blijft verder klimmen tot je op het hoogste punt komt. (Collado el Jitu T1-03) Dan traverseer je nog een tijdje tot je aan het kleine hutje genaamd Refugio de Ario of Marqués de Vilaviciosa komt. (T1-04) Elektriciteit wordt hier gemaakt met een kleine generator. Alles is hier vrij primitief, inclusief het toilet. Vooral drank is hier duur, gezien alles aangevoerd moet worden met de muilezel. De prijs van de basismaaltijden is relatief goedkoop. Wat je in praktijk krijgt, weet ik niet, gezien ik hier niet bleef overnachten. Wie dit wel wil doen, raad ik dit enkel aan in noodgevallen. Op de prijs van de overnachting krijg je korting, als je lid bent van een bergsportvereniging.

Eenmaal boven aan de hut was de hemel volledig uitgeklaard. In de hut hangt een soort schets met een beschrijving in het Spaans van de weg naar de Rio (rivier) Cares. De opzichter van de hut heeft het voor mij vertaald en er bij gezegd dat het enkel kon bij helder weer (wat het geval was en wat ik zelf ook kan bevestigen na het uitvoeren van de afdaling).
Het pad vertrekt vanaf de hut langs de drinkbak en komt dan uit bij een stenenveld, waar het te volgen traject aangeduid wordt met kleine cairnes (kleine steenhopen, zo klein soms dat je je afvraagt of het een cairne is dan wel toeval). Naast de cairnes vind je ook een paar gele verfstrepen die dringend aan een schilderbeurt toe zijn. Goed schoeisel en droog weer zijn hier absoluut noodzakelijk, want er is hier geen sprake van een pad, maar van een klauterpartij over de rotsen. Eenmaal je door het stenenveld bent, begint het pad te dalen en een stukje terug te keren in de richting van waaruit je gekomen bent. Hier vind je geen gele tekens meer maar wat vage blauwe en rode. Op een bepaald ogenblik loop je langs een flank en daal je af naar het begin van een riviergeul en dan houdt plots alles op. Je ziet verder geen pad meer, noch traverserend, noch afdalend…. En dan slaat de twijfel toe….. Ik ben beginnen afdalen…. Freestyle…. Wie hier geen stokken bij heeft, is of gek of expert. Je daalt af door de geul, zoekend naar de veiligste weg, en als je dit volhoudt, vind je wel iets dat hier voor een pad moet doorgaan. Het blijft heel steil. Plots duikt er water op in de vallei. Er volgt een moeilijke passage door de beekbedding en dan blijf je op de linkeroever. Je daalt af door een grassig stuk, waar gelukkig een soort spoor te vinden was. Het ‘pad’ wordt iets beter en je daalt af tot het water naar rechts in een kloof verdwijnt. (T1-05A) Hier vind je terug een eerste teken, dat je aandacht vestigt op het juiste pad naar links tussen de bomen.
Verwacht nu niet het paradijs, want ook hier moet je verder achter tekens zoeken en moet je vooral hopen dat je het pad kan blijven vinden tussen het hoge gras en de bomen. Het pad blijft afschuwelijks steil en je moet opletten om zeer geconcentreerd te blijven, ondanks de toenemende vermoeidheid. Je begint geluid waar te nemen van andere mensen en na nog een laatste schuine traverse over een rotsblok sta je op het zeer brede pad langsheen de Rio Cares, vlak bij de Puente (brug) Bolin (T1-08).
En toen ben ik toch ruim een kwartier moeten gaan zitten. De mensen die het pad door de kloof volgen kijken je eigenaardig aan, want zij hebben geen besef van de staat waarin het ‘pad’ dat je bent afgedaald verkeert. Bovendien zat ik ook door mijn voorraad drinkwater heen.

Wat nu volgt is in vergelijking tot wat je bent afgedaald een luxe pad: bijna horizontaal en breed. Vlak voor de eerst volgende brug, met steenslagnet moet je opletten voor… steenslag. Gelukkig is het pad onderkapt in de rotswand, maar het blijft toch schrikken als er (’s morgens vroeg) zo wat stenen langs je heen suizen. In het laatste deel, in de galerijen moet je opletten voor je hoofd, gezien de galerijen gemaakt zijn voor kleine Spanjaarden en niet voor grote Noord-Europeanen. Dan bereik je de dam en kom je in het open gedeelte van de vallei. Er volgt opnieuw een brug en dan kom je aan het eerste huis met tekens van beschaving in de vorm van een drankautomaat. Dan vind je de onvermijdelijke souvenirwinkel en de restaurants van Cain (T1-08B).

Ikzelf vond onderdak in de refugio naast en behorend bij Hostal La Ruta. Het beviel me daar zo goed dat ik er later nog 2 nachten verbleef. (12 € voor een bed in een kamer met vier bedden, doch de kamer was voor mij alleen, incl. warme douche en (licht) ontbijt, 50€ voor een kamer in het hostal, 10 € voor een Menu de la Casa, zowel ’s middags als ’s avonds mogelijk. Tel & fax 987.742.702)

Een gemakkelijkere afdaling in het dal van de Rio Cares vind je door vanaf het Lago de la Ercina de weg langs het informatiecentrum te volgen via Belbin tot La Guelga, alwaar het overgaat in een pad langs de gehuchten Vega Maor en tot slot Oston tot het pad langs de Rio Cares. Het betreft een GR-pad, maar verwacht daarom niet dat het goed gemarkeerd is. Ik verkende het vanaf de Rio Cares en telde een vijftal tekens tot aan de grot (45’ klimmen).
De stijgingsgraad is normaal en het pad is redelijk te volgen (voor wat betreft het deel dat ik verkende).

Dag 3: Cain (500m) – uitzichtpunt (680m) – Puente de la Jaya (300m) – Bulnes (640m):
Tussen Cain  en de Puente (brug) de la Jaya loop je door de kloof van de Rio Cares. Dit is landschappelijk gezien een absoluut hoogtepunt en bovendien niet echt moeilijk. Op zonnige dagen is het er dus relatief druk. Wie in dit gebied een mooie dagwandeling wil maken raad ik aan om vanuit Poncebos te vertrekken of aan de Puente de la Jaya (moeilijk parkeren) (T1-09) en naar Cain te lopen. Daar kan je daar dan ’s middags eten en na de middag terug keren richting Poncebos. Zelfs voor mensen met een matige conditie is dit te doen. Je mag alleen geen extreme last van hoogtevrees hebben, want ondanks dat de breedte van het pad varieert van min 1 tot 2,5m, dien ik op te merken dat er op het grootste deel van het traject geen enkele vorm van balustrade te vinden is aan de rand van de kloof. We zijn tenslotte in Spanje en niet in Oostenrijk of Zwitserland. ;-))).

Aan de Puenta de la Jaya (T1-09) dwars je de rivier over de gelijknamige brug en klim je via een probleemloos pad naar Bulnes. Je vertrekt dus op de linker oever, maar het grootste deel van de klim verloopt over de rechter oever en dus heb je een brug nodig om van de ene oever naar de andere te geraken. (T1-10). Vanaf de uitgang van de Funicular de Bulnes (ondergrondse tandradbaan vanaf Poncebos naar Bulnes 9 € enkel, 14 € H/T) vind je een berijdbare en verlichte weg tot het dorp zelf. Het “centrum van het dorp” bereik je door de stenen brug (T1-11) te dwarsen. Het leven in het dorp valt stil, na de laatste rit van de tandradbaan omstreeks 18.00 uur. Zelfs het café-restaurant sluit zijn deuren en dus moet je zeker maken dat je voor 15.00u in Bulnes  bent om nog iets warms te eten te vinden.
Ikzelf sliep in de Albergue (herberg) de Bulnes, maar dat raad ik niemand aan tenzij het echt niet anders kan. Er is namelijk geen verwarming, geen warm water en dus ruikt het er relatief muf. Je weet ook niet wanneer er hier voor het laatst gekuist is. Het heeft meer iets van een stal voor 5€/p/n. Wie niet helemaal krap bij kas zit is beter af in de mooie Bed & Breakfast in het dorp a 30€ voor 1 persoon of 50€ voor 2.

Dag 4: Bulnes (640m) – Collada de Pandebano (1218m) – Refugio J. Delgado Ubeda of la Vega de Urriellu (1960m).
Er is een pad dat rechtstreeks van Bulnes naar de Refugio Urriellu gaat, maar dat raad ik niemand aan. Ik heb het laatste deel van het pad bekeken vanaf het pad dat ik volgde en je loopt er zowat 1,6 km halfweg door een puinhelling, waarbij het pad nog eens 400 meters hoogte wint op die zeer korte afstand (gemiddeld 14° of 25%).
Vanaf het centrum van het dorp steek je de beek terug over naar de kant van het pad van gisteren, komende van de Funicular en al snel ga je naar links schuin omhoog (primitieve pijl). De jeepweg vanaf de funicular loopt dood op het einde van het dorp op een erf van een boerderij.
Aanvankelijk is het pad goed te volgen. Je volgt de zijkant van een gebied van bergweiden met verspreide hutten. Onderweg dwars je een beek (T1-12). Op een bepaald ogenblik volg je een stenen muur. Vlak voor het pad doodloopt bij een hut, moet je naar links (T1-13). Op een bepaald ogenblik moet je schuin naar rechts terug omhoog, want het pad rechtdoor loopt dood aan een drinkbak. Op een bepaald ogenblik is het pad moeilijk te volgen en moet je langs een modderig koeienspoor tussen het stuikgewas, tot je een hek ziet. Je gaat door dit hek en volgt verder een wat beter pad. Ik heb hier zelf de punten T1-13A,B & C opgenomen omdat het verloop van het pad hier tamelijk verwarrend is en goede markering natuurlijk ontbreekt.
Je begint langzaam zicht te krijgen op de Collada (Col – pas) de Pandebo (T1-14). Hier vind je meerdere evenwijdige koeiensporen die allemaal min of meer in dezelfde richting verder gaan in de richting van de pas. Boven op de pas heb je zicht op Majada de la Roble, waar de meeste dagjesmensen die de hut van Urriellu willen bezoeken hun auto achterlaten. Langs deze weg ben ik de volgende dag afgedaald.

Deze pas is een typische plek waar je niet wil zijn als er mist is. Op het vlakke deel is er geen spoor van enig pad te bekennen en de wegwijzers staan aan het begin van het spoor. Bij helder weer kan je de borden zien staan, en kan je eens gaan kijken, maar in de mist heb je hier een dik probleem. Eenmaal je het juiste pad gevonden hebt (T1-14A) in de flank aan de overzijde van de vallei, ben je op goede weg en is het verder relatief probleemloos.  Je passeert een paar hutten, waarvan er in één kaas gemaakt wordt. Volgens de kaart zou er hier ook een Refugio de la Terenosa (T3-02) moeten vinden, maar er was in elk geval niets aangeduid en als ze er al is, dan is ze van het niveau van die in Bulnes.
Het pad klimt goed zichtbaar in de flank van de heling tot een soort pas, een breuk in de rotswand. (T3-03) Vervolgens gaat het op en af van kom naar kom, tot je aan de voet van de feitelijke helling komt (T3-04). Dan volgt een pad dat zigzagt naar omhoog. De hut (Refugio J Delgado Ubeda of Vega de Urriellu,  T3-04 of T1-14B) zie je pas op het laatste ogenblik. De Picu Urriellu aan de voet waarvan de hut ligt, veel eerder. De rotswand is een uitdaging voor de pure rotsklimmers. Met zijn 2519 meter kijk je op een bijna monoliet van 550m, waar de gemakkelijkste route een IV+ is, gaande tot….

En dan de hut zelf….. Indien er een wedstrijd zo bestaan voor de slechtst ontworpen hut, dan zou deze een ernstige kandidaat zijn. Daarmee wil ik zeggen dat ik persoonlijk nog geen slechter ontworpen hut gezien heb. Laten we de fouten eens opsommen:
–    In plaats van de generator in een afzonderlijk gebouw te plaatsen, staat deze in een het hoofdgebouw, afgescheiden door een houten wand. Resultaat: lawaai en geur. (’s Avonds gaat hij wel uit.)
–    De gelagzaal is één grote ruimte, zonder indeling. Bovendien heeft men nog een opening naar de bovenverdieping gemaakt, zodat alle warmte letterlijk verloren gaat.
–    De buitendeur van de hut staat steeds open. Vandaar kom je in de traphal, met een metalen veiligheidstrap naar de bovenverdieping…. Zeer aangenaam voor de voeten, vooral als je weet dat er verwacht wordt dat je je schoenen en rugzak beneden laat staan of opbergt in de metalen bergkasten in deze traphal. Slot meebrengen.
–    De buitendeur en toegangsdeur tot de gelagzaal liggen pal tegenover elkaar met daartussen juist de breedte van de gang (afkoeling verzekerd).
–    De keuken ligt aan de tegenoverliggende zijde van de gang. Resultaat: iedereen die iets wil bestellen moet via de koude gang telkens de gelagzaal binnen, en met een buitendeur die openstaat komt de koude van buiten telkens weer binnen.
–    Sanitair ligt ook in de genoemde gang, en dus nog meer koude binnen….
–    Toiletpapier, mag je op zijn Spaans niet mee doorspoelen….
–    Douches werken niet….niet voldoende water?
En dus kom je licht bezweet toe, is het aan de hut helder maar koud en blijf je koud tot aan het avondeten. Beste oplossing: alle kleren aan en warme dranken drinken. Het avondeten is extreem overvloedig qua hoeveelheid. Wie hier met honger van tafel gaat, is hier niet te voet geraakt (wegens overgewicht).

Er kan zeker 150 man in de hut, maar er waren er maar een 30-tal. Tel.:985.925.200 (gans het jaar open) 19,05 € half-pension voor leden van een bergsportvereniging. 17€ voor een goede fles wijn.

En dan informeer je je een beetje over de mogelijkheden, voor de volgende dag. Het is hier koud. Je verneemt dat het voorjaar abnormaal koud was, en dus ligt er veel sneeuw, meer dan normaal. Wie de kaart goed bekijkt, ziet dat hij op weg naar de Refugio Cabana Vernonica door 2 kommen met sneeuw moet. Bovendien ligt de ketting die je normaal moet helpen bij de klim naar de Horcados Rojos nog onder de sneeuw informatie terplaatse vernomen van andere wandelaars. Ik heb met een Nederlandse militair gesproken die vanuit Cordinanes (Rio Cares) over de Refugio Diego Mela gekomen was, maar die een nachtje buiten heeft mogen slapen omdat zijn reisgezel plotseling blokkeerde onderweg, waarna hij de reisgezel huiswaarts heeft gestuurd. Hij was wel over de Horcados Rojos gekomen, maar heeft dan zelf een route gezocht langs de andere kant van de kom. Wie dat kan, heeft dit verslag feitelijk niet nodig. Ik kan het ook als het moet, maar mijn behoefte om risico’s te nemen is gedaald met ouder te worden. Ik kan niet voldoende benadrukken dat de omstandigheden, gezien het koude voorjaar uitzonderlijk waren en dat ik mezelf niet voorzien had op dergelijke omstandigheden. Je voorzien of alle mogelijke omstandigheden resulteert in een zwaardere rugzak, waar je dan op loopt te sakkeren, wanneer je die extra uitrusting niet nodig hebt. En dus maak je een compromis dat je naar eer en geweten de tocht in normale omstandigheden zal laten voltooien en verander je je plannen als dit niet het geval is.
De volgende morgen test ik nog even de hardheid van de sneeuwvelden, en gezien ik geen stijgijzers of pikkel bij heb, besluit ik terug te keren, onder het motto: een verstandig mens weet wanneer hij de handdoek in de ring moet werpen. Er komen nog vakanties en bergen….

Voor wie het geluk heeft hier t zijn bij goede weersomstandigheden, verwijs ik naar de beschrijving in het boek van Dominicus en de coördinaten T3-06 tot T3-18. Voorzover ik vernomen heb is de Cabana Veronica enkel meer in noodgevallen te gebruiken voor een overnachting (Max. 6 plaatsen) en is de hut eerder een plaats voor een koffiepauze op weg naar El Cable of Refugio Diego Mela (groter, maar alles per kilo te betalen, wegens aanvoer te voet….)

Dag 5: Refugio Urriellu (1960m) – Puente Moyeyeres (950m) – Sotres ( 1050m) :
En dus gaan we weer omlaag langs dezelfde weg tot aan de Collada de Pandebano (T1-14A) en dan links tegen de wand (D6-00) naar beneden tot de verharde(T3-01) weg die je beneden in de kom ziet. Vervolgens daal je eenvoudig af langs de weg (D6-01) tot je in het hoofddal komt (T1-16). Hier ga je naar links terug omhoog (asfalt – T2-36B) naar Sotres (T3-00), dat je tijdens het laatste deel van de afdaling langs de weg reeds zag liggen. Andere overnachtingsmogelijkheden zijn er niet en dus ben je aangewezen op Sotres.
In Sotres zijn er meerdere overnachtingsmogelijkheden, en dus werd het een beetje een gokje. Ik ben afgegaan op de informatie op het kaftje van de stafkaarten en ging dus op zoek naar de Albergue de Sotres. Deze zou in de Casa Cipriano moeten zijn, maar daar gaf men niet thuis. De Casa Cipriano vind je op het dorpsplein. Ik kreeg er en kamer voor één persoon voor 30€. Als je hier aankomt voor 15.00 u, kan je hier nog het middagmaal gebruiken (10€) , maar het avondmaal is “à la carte”, en dat is zijn geld niet waard (20,5€ voor pasta met Cabrales kaas en glas wijn). Ook het ontbijt (3€) stelt hier niet veel voor. Aan de inkom van het dorp (rechts) is een zaak, waar je kan overnachten in slaapzalen, en waar men iets flexibeler is qua eetformules. Ik weet niet of er hier ook individuele kamers zijn. Op het einde van het dorp, richting Jito de Escarandi is ook een hostal, dat gebruikt wordt door NSP (Nederlandse reisorganisatie die hier vrij actief is).

Dag 6: Sotres (1050m) – Piedra Llé (1400m) – Hotel de Aliva (1670m) – Refugio Veronica (2155m) – El Cable (1850m) – Fuente Dé (1000m) :
Mijn oorspronkelijk plan was om via de Jito de Escarandi naar de Caseton de Andara te lopen en om vandaar af te dalen richting Arguebanes. Vandaar zou ik dan via de grote rondwandeling 1, beschreven in het boek van Dominicus, terug keren via Lon, Brez, Tanario en Mogrovejo naar Espinama en Fuente Dé. Maar door mijn ervaringen met het verloop van de toch tot op heden, heb ik voor een veiligere en vooral meer zekere optie gekozen. Deze vind je dus hieronder:

Je keert terug in dezelfde richting als van waaruit je gisteren kwam, maar in plaats van af te slaan richting Collada de Pandebano, loop je verder richting Espinama.  Het was zondag en dus stopte er op het kruispunt met de weg vanuit Poncebos (T2-36B), een bus, waaruit Spanjaarden stapten die vervolgens hun mountainbike uit de laadruimte van de bus haalden. Later begreep ik dat ze de bedoeling hadden om naar Potes te fietsen. Alleen stond er in het dal een dusdanig harde wind en is de stijging van de weg niet echt van de poes, dat de meesten bergop niet veel sneller opschoten dan ik te voet met rugzak. Bovendien is de stafkaart, zoals het een Spaanse stafkaart betaamt, niet erg goed voor wat betreft de aanduiding van de kwaliteit van de weg. Je passeert een verlaten gehucht, genaamde Vegas del Toro (stier) of de Sotres) (T2-35) waar alleen nog stallen gebruikt worden voor vee.

Eenmaal je voorbij het hekwerk bent, dat de provinciegrens aangeeft, zie je een steen, genaamd Piedra Llé. Hier vind je een pad, dat daalt in de richting van de kapel van de Virgen de las Nieves (aangeduid met paarse lijn). Ben je te voet en wil je richting Espinama of Potes, dan volg je best dit pad. Later wordt het een 4×4 jeepweg en vanaf de kapel een grindweg. Ben je mountainbiker en wil je op een grindweg blijven rijden, dan moet je verder blijven klimmen langs de grindweg over de opvallende “schouder” genaamde “La Lomba del Toro” richting Hotel Alvia (T2-33A), tot de grindweg rond de kom van de Viegen de la Nieves draait en de weg naar het hotel Alvia, afgezet is met een rotsblok, waarna je te voet verder steil omhoog kan. Wie met de fiets naar het hotel Alivia wil, moet iets langer de grindweg volgen tot je wat verder naar rechts omhoog kan richting hotel. Wie naar Espinama of Potes wil blijft gewoon dalen. De kaarten van mijn Garmin Citynavigator 9 zijn op de vlak wel juist, daar waar de Spaanse stafkaarten duidelijk steken laten vallen.

Hotel Alivia is het soort plaats, waar je je als rechtgeaarde bergwandelaar niet thuis voelt. Te veel dagjesmensen en te veel commercie. Er komen hier mensen te voet vanaf El Cable en met terreinwagens, waar ze met zes passagiers ingepropt worden op iets genaamd jeepsafari. En als er dan 4 van die voertuigen aankomen, volgepropt met Spaanse dames en heren van pensioengerechtigde leeftijd, dan neemt de geluidsdruk door Spaans gekakel onrustwekkend toe tot iedereen zijn koffie uit heeft en ze weer verder rijden naar een volgende halte.

Het was nog relatief vroeg. Ik voelde mij hier niet thuis en dus liep ik ondanks de lichte miezelregen verder omhoog richting Horcadina de Covarrobres (1920m). Je neemt een stijgende niet zo beste 4×4 grindweg omhoog in de richting van een wit gebouw (Chalet Real). Wanner je vlak tegen dit gebouw bent, maakt de weg een opvallende bocht naar links en  blijf je zo stijgen naar de Horcadina de Covarrobres (1920m) (T2-33) of (T3-17)
Hier vind je het pad naar de Cabana Veronica. Het begint als een niet berijdbare jeepweg (T3-16), maar verandert aan de afslag naar de in onbruik geraakte mijn in een echt bergpad. Aanvankelijk is het pad goed te volgen, maar eenmaal je hoger geraakt en het vlakker wordt, neemt de hoeveelheid sneeuw toe, en moet je je baseren op voetafdrukken in de sneeuw. Van enige markering zoals je die in Alpenlanden mag verwachten, is hier geen sprake. Ik heb enkele kleine cairnes opgemerkt. Op een bepaald ogenblik vond ik op een rotsblok gele markeringen (T3-E16)naar een pas, die ik niet kon ontcijferen. Later heb ik uitgevlooid dat dat vermoedelijk een pad naar de Collado de Canalona was, dat niet aangeduid is op de kaart.
Met het verslechterende weer en de daarmee gepaard gaande invallende duisternis en het feit dat ik ondanks dat ik op de kaart gezien niet ver van de Cabana Veronica (T3-15) moest zijn, ze toch niet zag, heb ik beslist terug af te dalen naar El Cable (T3-18 of T2-32B), alwaar ik met één van de laatste ritten, net voor 16.00 uur ben afgedaald (7€) naar Fuente Dé (T3-18A) (T2-32A).

Door de hevige zijwind, schommelde het gondeltje vrij heftig. Wie last heeft van hoogtevrees, kan beter niet vooraan staan.

En daar sta je dan…. Op zondagavond in een verlaten gat, waar alle restaurants dicht zijn, gezien de Spanjaarden op zondag allemaal ’s middags gaan eten.

Ik heb uiteindelijk de camping gevonden. Hiervoor moet je de asfaltweg omhoog volgen tot je op een kleine parking met op het einden een wendplaats komt. Hier volg je de grindweg rechtdoor en vervolgens een afslag naar links, tot je aan de receptie van de camping komt. Hier moet je je aanbieden voor de refugio. Het betreft een ruimte met wat bedden, een paar tafels en een keukenhoek, die niet verwarmd is en wat muf ruikt. Je kan gebruik maken van het sanitair van de camping met warme douches, dit alles voor 9€ per persoon.

’s Avonds kon ik nog eten in de bar/restaurant van de camping (biefstuk/friet 8,20€, speciale salade 5,80€, brood 0,30€, fles huiswijn 3,00€, koffie 1,40€). Vanwege een zwaarlijvige snurker die geen zin had om zijn tent op te zette in de regen, heb ik die nacht niet veel moeten slapen.

Nota: in Fuente Dé is er aan de lift een geldautomaat, de enige die ik ben tegengekomen sinds Cangas de Onis.

Dag 7: Fuente Dé (1000m) –  Collado de Valdeon (1771m) – Posada de Valdeon (900m) – Cain (500m) :
Je verlaat de camping via de toegangsweg en eenmaal je het privé-gedeelte verlaten hebt, ga je niet naar rechts richting Fuente De, maar naar links en volg je de grindweg. Deze verlaat eerst het zijdal van Fuente Dé en draait dan een groter dal in, maar begint tevens te stijgen. Je vindt hier zowaar verftekens. Na één van de vele bochten, krijg je zicht op eindwand van het dal, waarvan de Collada de Valdeon deel uit maakt. Je ziet vooral een dal met gras en een paar verspreide herdershutten. Hier leiden de verftekens je van de grindweg af en vervolgens verdwijnen ze in rook. Bij goede zichtbaarheid, kan je hier op zicht klimmen naar de hoogste hut. Bij slechte zichtbaarheid, blijf je de grindweg volgen die ook eindigt op de kam aan de col. Na de laatste hut, vind je wel wat aanduidingen, maar het is hier omwille van het struikgewas op het hoogste deel van de helling en de onduidelijke aanduidingen wat moeilijk om de Jeepweg terug te vinden. Uiteindelijk lukt het wel en boven vind je weer een paar palen met aanduidingen.
Je verlaat de col door van de graad af te gaan via een diep ingesleten pad dat door koeien gebruikt wordt en dat dus modderig is. Het eerste deel tot aan de Collado Peranieva is redelijk goed te volgen. Later zijn er meerdere sporen en moet je je richten op de boerderij aan een zandweg in rode aarde. Daal af tot aan deze weg en volg hem dalwaarts tot het dorp Prada. Van hier daal je af richting Posada de Valdeon. Er zijn hier een aantal winkels waar je je voorraad weer kan aanvullen. Voor de restaurants is het nog te vroeg en dus loop ik verder langs de weg terug naar Cain. Op het einde van Posada de Valdeon richting Cain, vind je een private refugio met meerdere kamers douche en keukenhoek (volgens folder aan de deur voor 7€/p/n).

Gezien ik door de aanpassingen op mijn tochtschema omwille van de weersomstandigheden, voor was geraakt op mijn planning, besloot ik vanwege mijn goede ervaring met mijn overnachting in Cain tot een rustdag aldaar.

De Weg naar Cain is rustig, maar wel smal, waardoor je wel eens verrast kunt worden door het verkeer. Er zijn bepaalde delen, waar je de weg kan verlaten en een pad langs de overzijde van de smalle vallei kan volgen, maar dat betekent meer stijg- en daalmeters, en dat had ik er gezien mijn toenemende vermoeidheid niet voor over.
Stop als je langs de weg loopt eens aan de Choro de los Lobos of Wolvenval. (Een interessante constructie).
De laatst kilometer ziet er heel recent uit van aanleg en hangt met veel beton over de rivier. Ik vermoed dat je vroeger niet met de wagen tot in het dorp kon of och in elk geval slechts beurtelings.

Ik heb terug mijn intrek genomen in dezelfde refugio als dag 2.

Dag 8: rustdag (korte verkenning van de GR)
Na mijn Spaans ontbijt in Hostal La Ruta, ben ik opnieuw de kloof ingegaan en net voorbij de brug met een anti-steenslagdak , werd ik dus verrast door vallende stenen. Even schrikken dus, vooral omdat het nog stil is in de kloof, want de toeristen zijn nog niet wakker. Met wat geluk kom je ook twee paarden tegen die in de vervallen stallen hun intrek nemen. Op het eerste zicht zijn ze zelfverzorgend. Eenmaal de grote aantallen toeristen toekomen, zal je behalve hun mest, niet veel van ze zien.
Aan de Puente Pando, vind je dus de afslag van de Spaanse GR 203 die schuin omhoog naar het Lago de Enol en de la Ercina loopt en via de kloof richting Bulnes. Ik ben hier omhoog gelopen tot aan een grot, die als schaapstal gebruikt wordt. Gezien er regen in de lucht zat, heb ik ervoor gekozen om niet verder omhoog te klimmen richting Oston en de genoemde meren. Het begin van het pad is wat moeilijk te vinden. Zoek rechts van de omheinde zone en niet richting rivierbedding, want dat zijn dierensporen. Eenmaal het juiste pad gevonden, was dit redelijk vlot te volgen. Ik ben in totaal op een klim van 300 hoogtemeters een vijftal tekens tegengekomen, wat naar Belgische of Franse GR-normen weinig is. Het pad is beduidend minder steil dan het pad door het Canal de Trea en lijkt mij een goed alternatief als verbinding naar de meren van Covadonga (Enol & Ercina). Ik kan uiteraard geen garantie bieden voor het verdere verloop van het pad, maar wie met dat soort onzekerheden niet overwegkan, kist beter voor een bergwandeling in de Alpenlanden (Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk en Duitstalig Italië.
Wie goed kijkt op de kaart en naar het landschap, vindt hier ook een pad dat afdaalt in de kloof tot aan een minuscuul brugje. Aan de overzijde vind je een steile grashelling, waarin je een soort spoor kan opmerken. Het pad loopt richting Cabana Vigon en verder richting Bulnes. In Cain heb ik met een stel Britse heren gesproken die het betrokken pad zijn afgedaald bij vochtig weer en ik heb hen gek verklaard en ze hebben dit bevestigd. Ik denk dat vooral de afdaling via de grashelling bij regenweer niet aan te raden is, wegens het gevaar om uit te glijden. De door mij beschreven weg op dag 3 is eenvoudiger en veiliger.

Cain blijft voor mij een ideale plaats voor een paar dagen echte rust, weg van het meeste wereldse lawaai.

Dag 9: Cain (500m) – Posada de Valdeon (900m) – Collada El Frade (1755m) – Refugo de Vegabano (1320m) :

De dag begint met een klim langs de weg of de reeds genoemde stukken pad naar Posada de Valdeon. Na 2u30’ ben je “boven”. Eventueel kan je hier nog wat bevoorraden, want verder is er niet veel te vinden in de vorm van winkels.
Je vervolgt je weg langs de asfaltweg, tot je een brugje (T4-93A) tegenkomt met een grindweg over de rivier en groene pijlen richting Soto de Valdeon. Je volgt nu de grindweg tot in het dorp en dan loop je het ‘centrum’ in tot je een mooi huis (T4-94) passeert met een horreo (graanschuur op stenen met ronde stenen daarop tegen de ratten). Hier keer je schuin terug en sla je vervolgens het eerste steegje in naar links (rechts t.o.v. de oorspronkelijke looprichting). Op het einde van de huizen vind je een overgroeid grindspoor dat ooit een weg was en dat schuin omhoog gaat naar links. Bij een splitsing (T4-94A) daal je niet af, maar blijft langzaam klimmen tot je boven het dorp uitkomt. De tekens staan op plaatsen die je pas ziet als je reeds de goede weg gevonden hebt. De basisgedachte is dat je steeds de meest stijgende weg moet kiezen en meestal vind je dan ook de tekens. Als je over een GPS beschikt, kan je gebruik maken van de vermelde GPS-punten. Naar mijn mening is er hier een fout, qua nummering van de GPS-punten in de tekst van de beschrijving in het boek van Dominicus.
De Vega de Llos vind je bij GPS T4-96. Verwacht vanaf hier niet veel pad meer. Je moet hier weer meer op zich gaan lopen en hier en daar vind je misschien iets dat voor een pad moet doorgaan. De Collado El Frade (GPS T4-97) is goed zichtbaar (als er geen mist is;-)))) )
Op de pas is een touw gespannen om de paarden die in de kom nabij de Icona-hut lopen, tegen te houden om de kom te verlaten. De hut is gratis en open, maar het water in de buurt heeft qua hygiëne te lijden van de aanwezigheid van de paarden. Blijf op de pas op ongeveer gelijke hoogte naar links lopen tot aan een grote steenman. (GPS T4-98) Vanaf hier daalt een duidelijk pad af naar een klein pasje (GPS T4-99). Vanaf hier daal je af door bos tot aan de Rio Dobra (GPS T4100). Vanaf hier slalomt het pad tussen drassige stukken en koeienvlaaien. Uiteindelijk eindig je langs een omheining (T4-99A) en aan het einde van de omheining zie je de hut, Refugio de Vegabano (GPS T4-100 ).
Je kan hier goedkoop overnachten, vooral als je een kaart van een bergsportvereniging hebt. Ook eten en drank zijn hier niet duur. Je eet wat de pot schaft. Het sanitair is wat ‘basic’.
Het is goed om als het nog klaar is het startpunt voor morgen eens te gaan zoeken.

Dag 10: Refugio de Vegabano (1320m) – Puerto de Bareinera (1360m) – Rio Dobra (1070m)- El Chamozo (1140m) – Puente de Restano ( 700m) –Collado El Cueto (820m) – Amieva (600m):
Wie zoals aangeraden gisteren zijn huiswerk gemaakt heeft, weet dat hij ofwel via de weg langs de rand van het bos, ofwel diagonaal door de weide moet, naar de plaats, waar de weg een echte grindweg wordt (GPS T4-101). Hier loop je ofwel naar rechts langs de ruïne van een huis, tot je een open plek in het bos bereikt, waar een aantal wegwijzers mooi staan te wezen. Ofwel loop je via een zeer vaag spoor van een weg in tegenwijzerszin rond de genoemde ruïne tot de plaats met de wegwijzers (GPS D2-E02).
Hier begint een zeer modderige weg, die zo geworden is doordat hij door veel koeien gebruikt wordt. Hier kan je echt een paar stokken gebruiken om je evenwicht te bewaren. Op een eerste meer open plek in het bos, waar je wat uitzicht hebt op de omgeving, vind je naar links een weg (D2-E03) aangeduid door pijlen naar Soto de Sajambre. Het gaat nog iets verder omhoog tot aan de Puerto de Bareinera (ca 1360m – D2-E04). Vanaf hier dal je af via een gang tussen de bomen, die je niet echt een pad kunt noemen. Je houdt steeds dezelfde richting aan, tot je zowat de bodem van de vallei kan zien en dan gaat het naar rechts tot aan de brug (D2-06). Aan de overzijde zal je allerlei sporen vinden van koeien, maar geen eenduidig pad. Bij goede zichtbaarheid is het dan ook het beste om het witte gebouwtje op de helling (El Chamozo ca 1140m D2-E09) tegenover je in het oog te houden en je daar op te richten. Vanaf daar loopt het pad in de flank van de vallei via de punten D2-E10 t/m D2-E15. Bij D2-E16 bereik je de trap naar de stuwdam en het begin van een jeepweg, die bij D2-E17 een echte betonweg wordt. Je passeert langs de waterkrachtcentrale (Puento de Restano ca 700m D2-E17)  en vervolgens vat je de klim aan naar de Collado El Cueto (820m – T4-110). Hier vind je een picnichoek en tevens het kruispunt met de hoge route vanaf de Refugio de Vegabano. De weg daalt hier terug af naar het punt T4-111, waar de afslag naar het dorp Amieva zich bevindt. Ik heb mij laten verleiden door het symbool CR (Casa Rural) op de kaart, maar die is er al lang niet meer. Ik heb het geluk gehad van hier een lift te kunnen versieren naar Cangas de Onis, alwaar ik de bus nam naar Oviedo.
In het boek van Dominicus, wordt aangeraden om de weg voort te zetten via de Collado de Amieva (801m), waarnaar je de grindweg duidelijk kan zien lopen vanaf de afslag naar Amieva. Voorbij de pas daal je af tot San Roman, alwaar je opnieuw een reguliere verharde weg vindt die afdaalt naar Santillan. Of er in San Roman slaping te vinden is, is twijfelachtig. In Santillan is die er zeker, maar als je daar nog op een redelijk uur toekomt, wat niet waarschijnlijk is, kan je ook de bus naar Cangas de Onis of Oviedo nemen of naar Covadonga, als je wagen daar staat. Het stuk tussen Santillan en Covadonga lijkt mij deels onaangenaam en deels moeilijk qua oriëntatie, maar wie persé de cirkel te voet rond wil maken is daar vrij in. Bus Oviedo – Canga de Onis: 5,50€

Oviedo:
Gezien ik rond 18.00 uur in Oviedo aankwam en tamelijk vermoeid was, wou ik redelijk snel overnachting vinden. In het busstation vind je een afdeling van de toeristische dienst, waar je een stadsplan kan bekomen.
Ik heb onderdak gevonden in Hostal Fidalgo, Calle Jovellanos 5 -3° B, 33003 Oviedo, Tel. 985 21 32 87, aangeraden in de Lonely Planet Spain.
Het betreft een ruim appartement, waarvan er door de eigenaars, een ouder koppel, kamers worden verhuurd. De kamer die ik had, betrof een eenpersoonskamer op het einde van de gang met en raam uitziend op de binnenlichtkoker. Er was douche op de kamer, maar geen WC ( vraagt nu eenmaal dikkere buizen en die krijg je moeilijker weggestoken in een bestaand appartement.) WC dus gemeenschappelijk. 25 € per nacht voor mij alleen. Relatief rustig en toch in het centrum. Ik vermoed niet dat fuifnummers hier welkom zijn.
Ik heb 2 maal ’s avonds gegeten in Bar Kuper, Calle Cimadevilla 17, een klein pleintje in de centrale as van de Passeo. 10€ voor een Menu del Dia ook ’s avonds, geen culinaire hoogstand, maar de ligging is leuk, als je graag op een terras zit op een warme zomeravond.
Ik heb op een middag ook een Menu del Dia genomen in La Decantadera, Fierro 17, 33009 Oviedo (gelegen aan de overdekte markt), 9,00 € voor de Menu en 0,90 voor een koffie. De kwalitieit van het eten is hier van een duidelijk hogere kwaliteit dan in Café Kuper, maar ’s avond enkel A la Carte.
Ik heb de San Julian de Los Prados bezocht (1,20€) en het Museo de Bellas Artes de Asturias (gratis). Voor de rest heb ik zowat alles van monumenten langs de buitenzijde bekeken, wat er te bezien valt , met de Lonely Planet Spain in de hand als leiddraad.
Muzikaal vertier vind je in de buurt van de straat Ecce Homo.
Oviedo is een zeer nette stad. Je zal op weinig plaatsen zoveel bezemwagens zien rondrijden als hier. Woody Allen is een grote fan van deze stad. Hij kreeg er dan ook een standbeeld.

Eindbeoordeling:
Fysiek niet zo lastige tocht, maar vooral mentaal vermoeiend, vanwege de slechte aanduiding der paden en het daaraan gekoppelde gevoel van onzekerheid. Goedkope maar primitieve berghutten, relatief dure hotelaccommodatie.
Prijs-kwaliteit ben je beter af in Oostenrijk, maar het is eens iets anders.

Advertenties

Commentaar? Vragen? Reacties, altijd welkom.

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.